donderdag 7 december 2017

Over De man zonder eigenschappen – 1

Ook al heb je deze pil niet geslikt, dan heb je je misschien toch weleens afgevraagd waar die titel De man zonder eigenschappen eigenlijk op slaat. Wat moet je je voorstellen bij iemand die ‘geen eigenschappen’ heeft?

‘De mens moet in zijn mogelijkheden, plannen en gevoelens eerst door vooroordelen, tradities, allerlei problemen en beperkingen in zijn bewegingen worden beknot, als een gek in een dwangbuis, en pas dan heeft wat hij vermag voort te brengen misschien waarde, rijpheid en duurzaamheid; – het is inderdaad nauwelijks te overzien wat deze gedachte betekent! De man zonder eigenschappen, die naar zijn vaderland was teruggekeerd, zette ook de tweede stap om zich van buitenaf, door de levensomstandigheden, te laten vormen; hij liet, op dit punt van zijn overwegingen aangekomen, de inrichting van zijn huis gewoon over aan het genie van zijn leveranciers, in de stellige overtuiging dat die wel voor traditie, vooroordelen en beperktheid zouden zorgen. (…) Toen alles klaar was had hij reden om zich hoofdschuddend af te vragen: Dus dit is het leven dat het mijne moet worden?’ [p. 26]

De eigenschappen die Robert Musils achternaamloze personage Ulrich wel degelijk heeft, laat hij zich aanleunen, ze lijken geen wezenlijk deel van hem te zijn. Hij ziet mogelijkheden in het bestaan, waarin hij kortere of langere tijd meegaat. Kiezen is willekeurig en hij laat zijn handelen dan ook niet zelden van anderen afhangen.

‘Maar als werkelijkheidszin bestaat, en niemand zal eraan twijfelen dat deze bestaansrecht heeft, dan moet er ook iets bestaan dat je mogelijkheidszin kunt noemen.
Wie die bezit zegt bijvoorbeeld niet: hier is dit of dat gebeurd, zal gebeuren, moet gebeuren; maar hij bedenkt: hier zou, moest, of had iets kunnen gebeuren, en als je hem dan van het een of ander uitlegt, dat het is zoals het is, dan denkt hij: ach, het zou waarschijnlijk ook anders kunnen zijn. Aldus zou de mogelijkheidszin welhaast te definiëren zijn als het vermogen om alles te denken wat evengoed zou kunnen zijn, en om aan wat is geen grotere betekenis hechten dan aan wat niet is. (…) Zo’n man is echter beslist niet een eenduidige aangelegenheid. Omdat zijn ideeën, voor zover het geen loze hersenspinsels zijn, niets dan nog niet geboren werkelijkheden zijn, heeft natuurlijk ook hij werkelijkheidszin, maar het is een zin voor de mogelijke werkelijkheid, en die bereikt zijn doel veel langzamer dan de zin voor werkelijke mogelijkheden die de meeste mensen eigen is.’ [p.20-21]

Als het aan Ulrich zelf ligt, kan het dus heel lang duren voordat hij – voor anderen zichtbaar althans – iets gaat doen. Daardoor lijkt het meteen of hij zelf niemand is, hooguit iemand die ontstaat door de projectie van anderen. In het begin van de roman is niet geheel duidelijk of Ulrich hieronder lijdt. Je zou zeggen dat het ogenschijnlijk ontbreken van identiteit en het besef van willekeur tot een gevoel van zinloosheid moeten leiden. Dat Ulrich kort gezegd aan een depressie lijdt. Dat zou ook het welhaast encyclopedische begin van de roman verklaren:

‘Boven de Atlantische Oceaan bevond zich een barometrisch minimum; het trok oostwaarts, in de richting van een boven Rusland gelegen maximum, en vertoonde nog niet de neiging hiervoor naar het noorden uit te wijken.’ [p. 11]

Het idee van identiteit als een willekeurige keuze had niet alleen Musil al eerder vormgegeven in bijvoorbeeld de personages van zijn toneelstuk Die Schwärmer. Ook Hermann Broch’s ‘Schlafwandler’ cyclus duidt op de typering van een generatie als een van dwalende mensen. Mensen die geen kern, geen ‘centre of narrative gravity’ hebben, hun identiteit buiten zichzelf zoeken, bij anderen, mogelijk bij een dominant idee dat hun leven binnendringt. Als dat al niet iets van alle tijden is, dan toch ook zeker van de huidige.