• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
Gert den Toom

Gert den Toom

Waar is Gert den Toom mee bezig?

  • Home
  • Bio
  • Blog
  • Boeken
  • Bestellen
  • Contact

Uitgelezen

Uitgelezen 10

20 mei 2012

‘There is nothing in the shrine ritual of a Shinto devotee that can be interpreted as worship in the usual sense, because there are no deities present.
So it is clear that in Shinto at least, which is the form of animism most accessible to us today, nobody worships a tree, and there is no god of the wind. (…)
This is the essence of Shinto. The word shin is an old Chinese one, which means ‘divine spirit’. The syllable to is derived from tao, ‘the way’, which was originally  written as ideograph of two separate characters meaning ‘man at the crossroads’.
So when the Japanese combined shin and to into Shinto, they produced a composite that is simplified as the ‘spirit way’, but which actually reads ‘humanity as divinity at the crossroads of the universe.’
[Lyall Watson, Heaven’s Breath, p. 317-318.]

‘Terug in Holland deed ik mijn verhaal aan Pieter Merkxs, die in de haven een aak aan het verbouwen was. We stonden in de machinekamer, hij sleutelde met de onfeilbare zekerheid van een kenner. Constructie, materiaal, legeringen, gereedschap, niets had een geheim voor hem. Ik haalde diep adem, betastte met de punt van mijn schoen de rand van de afgrond en vroeg toen terloops: “Zou het kunnen dat een machine een ziel heeft?” hij draaide zich om, keek me onderzoekend aan en zei: “Wat?” Dat was natuurlijk genoeg, maar helaas heb je niet alles in de hand en daarom ging ik door: “Een soort ziel, iets dat niet in formules te vatten is.” Hij legde de oliespuit op een werkbankje en klopte met zijn vuist op de machine. “Dit is metaal. Dit is van A tot Z te begrijpen. Dat jij d’r nou geen moer van snapt, betekent nog niet dat er zoiets als een ziel in zit.” Ik knikte en slikte. Daarna zei hij ook nog  – maar toen stond hij al weer met zijn rug naar me toe: “Je moet niet zoveel lezen.”
[A.L. Snijders, ‘Ziel’, in: Ik leef aan de rand van de wereld, p. 46.]

Serie: Blog, Uitgelezen

Uitgelezen 9

26 april 2012

‘Ad Herennium geeft lezers uitvoerig advies over de beelden die ze moeten creëren voor hun geheugenpaleis: hoe grappiger, obscener of absurder, hoe beter. (…) Hoe levendiger het beeld, hoe groter de kans dat het aan zijn locus gehecht blijft. Ik kwam erachter dat de grote mnemonisten zich onderscheiden door hun vermogen dit soort overdadige beelden moeiteloos te creëren, een dermate origineel tafereel in hun hoofd te schetsen dat ze het niet kunnen vergeten. En dat snel doen. Daarom vertelt Tony Buzan iedereen die het maar horen wil dat de wereldkampioenschappen geheugen minder je geheugen testen dan je creativiteit.
Bij het vormen van beelden helpt het als je een dirty mind hebt. De evolutie heeft onze hersenen geprogrammeerd om met name twee dingen interessant te vinden en derhalve memorabel: grapjes en seks – en in het bijzonder, zo schijnt het, grapjes over seks. (…) Dit wordt zelfs in traktaten uit relatief preutse tijdperken benadrukt.
[Joshua Foer, Het geheugenpaleis, p. 118-119]

Serie: Blog, Uitgelezen

Uitgelezen 8

6 april 2012

‘Ik weet heus wel hoe er geleefd moet worden, je moet redelijk zijn en beschaafd en de tering naar de nering zetten, en het walletje bij het schuurtje laten en de verzenen niet tegen de prikkels slaan en het hele verdomde spreekwoordenboek uit je kop leren, en de juiste kranten lezen, en de citabele columnisten savoureren, en het ener- en anderzijds beoefenen, en de complexiteit van de menselijke samenleving in je oordeel betrekken, en de kwaliteit laten prevaleren boven de kwantiteit. Makkelijk zat, zo moet je leven. Maar wat te doen met de demon die ervoor zorgt dat je de gore koppen van je kersverse collega’s wel in elkaar wilt slaan, dat je de lieftallige dochter van je buurman de kleren van het lijf wilt scheuren, dat je het woord financieringstekort nooit meer wilt horen, dat je nooit meer wilt werken, omdat werken onnatuurlijk is en mensonterend, en dat je zeker nooit meer wilt bidden en met het wandtegeltje BID EN WERK en werk van je tante in Almelo haar servies wilt vergruizelen, wat te doen met die klant?’
[A.L. Snijders, ‘Indian Summer (1)’, uit: Ruim water, p. 181-182.]

Serie: Blog, Uitgelezen

Uitgelezen 7

20 maart 2012

‘There always comes a moment in the writing of a book when its purpose is revealed: the moment when the urge – Nabokov’s famous ‘throb’– that led one to consider writing it is made plain. Actually there are two moments, or, if it makes sense to put it like this, the moment comes in two phases. First when one realizes that yes, there is a book here – however faintly it can be discerned – not just a haphazard collection of jottings and crossings-out clustered round an inadequately formed idea. Since, in principle, getting to that point should be easy, it’s disheartening to find that so much time and energy have to be wasted, that so many pointless detours, irritating obstacles, self-imposed tests and excurses (that voice constantly whispering or crying out ‘Stop!’) conspire to get in the way. (…)
The next moment comes not when the book is finished – that is better conceived as the last bit of the previous phase – but some time after it is published, when you see it for what it is (…). Then you see that actually those big desires and hopes, your deepest wishes, turned out not to be so deep at all, that actually even to consider life and writing in terms of a single wish is absurd, that there are numerous wishes and numerous books to be written (…) There’s no Room, or at least this one, this room, wasn’t it. And so one sets off again, trying to find another.’
[Geoff Dyer, Zona, p. 185-186.]

Serie: Blog, Uitgelezen

Uitgelezen 6

8 maart 2012

‘Hand in hand vielen we in slaap.
Onze lichamen lagen niet tegen elkaar aan, alleen onze handen waren verbonden. Seiji had mijn zoon moeten zijn. Of mijn vader. Of mijn broer. Met die gedachte sliep ik in.
Toen het invallende licht me wekte, lagen we niet langer hand in hand. Seiji draaide zich om in zijn slaap. Verdriet ’s ochtends in stand houden is moeilijk. Het verstuift in het licht.
‘Goedemorgen,’ zei ik en duwde met mijn vinger tegen zijn neus.
‘Zacht kreunend deed hij zijn ogen open. Ik manoeuvreerde mijn lichaam zodanig dat de vallei tussen mijn borsten goed zichtbaar was. Besef wat een zonde het is me te laten vallen. Smeekte ik, hem volop inkijk gevend. Seiji was nog versuft.
‘Hoe laat is het?’ vroeg hij.
‘Acht uur.’
‘Tijd voor ontbijt,’ zei hij kinderlijk. Hij was nog niet helemaal verhard tot Seiji.
‘Stomkop,’ zei ik, terwijl ik nogmaals tegen zijn neus duwde.
‘Ik ben geen stomkop.’ Nog altijd was hij kinderlijk.
Kon ik hem, voor hij verhardde, maar in een voor mij geschikte vorm kneden.
Hij stond op en ging naar de badkamer. Ik hoorde water uit de kraan komen, onmiddellijk gevolgd door het geluid van de douche. De man die, gewassen met warm water, weer de deur van de badkamer uit kwam, had alweer de vorm van Seiji aangenomen. Ik lag nog op het bed, maar hij gunde me slechts één blik, pakte toen zijn kleren uit de kast en trok ze gehaast aan.
‘Je zou een stukje van je roman moeten herschrijven.’
[Hiromi Kawakami, Manazuru, p. 193-194.]

Serie: Blog, Uitgelezen

Uitgelezen 5

12 februari 2012

‘Waar het om gaat, meneer Blanco, is dat u Nimmerland gelezen moet hebben, en omdat u een van de weinige mensen ter wereld bent die het gelezen hebben, zou ik het ten zeerste op prijs stellen, zou ik u dankbaar zijn uit het diepste van mijn ellendige hart, als u een poging zou willen doen u de inhoud van die droom te herinneren.’
‘Zoals u erover praat, lijkt Nimmerland een roman te zijn.’
‘Dat klopt, meneer. Het was een roman.’
‘En Fanshawe heeft u gebruikt als personage?’
‘Blijkbaar. Dat is op zich niet zo vreemd. Ik begrijp dat schrijvers dat voortdurend doen.’
‘Dat kan wel zo zijn, maar ik snap niet waarom u zich daar zo druk over maakt. Die droom heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden. Het is niet meer dan  woorden op papier, je reinste verzinsel. Laat toch zitten, meneer Flood. Dat is  toch niet belangrijk.’
‘Voor mij is het wél belangrijk, meneer Blanco. Mijn leven hangt ervan af. Zonder die droom ben ik niets, letterlijk niets.’
[ Paul Auster, Op reis door het scriptorium, p.63.]

Serie: Blog, Uitgelezen

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 20
  • Pagina 21
  • Pagina 22
  • Pagina 23
  • Ga naar Volgende pagina »

Primaire Sidebar

Series

  • Blog (1.699)
  • De escapisten (23)
  • hier & nu (25)
  • In Nederland (23)
  • Japan (16)
  • Mind the gap (6)
  • Muurschildering (4)
  • Uitgelezen (136)
  • Zurückbleiben (19)

contact