‘Ja, de angst. We zijn de richting op gegaan van een steeds strengere bewaking – en we zijn ons er niet veiliger door gaan voelen, zoals we hadden gehoopt, maar angstiger. Met onze angst neemt ook onze neiging toe om om ons heen te slaan. Zo is het toch: als een wild dier zich bedreigd voelt en geen vluchtweg meer ziet, gat het in de aanval. Wanneer de angst zich van ons meester maakt, zit er niets anders op dan als eerste toe te slaan. Dat is moeilijk, omdat we niet eens weten welke kant we op moeten slaan… Maar voorkomen is beter dan genezen, zo luidt de oude richtlijn toch? Als je maar vaak en hard genoeg slaat, kun je je misschien redden. Er bestaat een oude anekdote over een schermer die zo goed was dat hij zichzelf droog kon houden als het regende: hij zwaaide met zijn degen naar de vallende druppels zodat niet een ervan hem raakte. Wij die in de grote angst terecht zijn gekomen, moeten ongeveer hetzelfde doen.’
[Karin Boye, Kallocaïne, p. 151.]
Polaroid van de dag
Over straat



Heremiet

Ook al was het een folly, de heremiethut in de Paltz, het was een oude folly en daardoor op de of andere manier echt geworden, zoals consequente fouten in het gebruik van de Nederlandse taal. Toen we ons er eenmaal toe verlaagd hadden naar de stenen hut op zoek te gaan en de rust van de heremiet te verstoren, moesten we eerst een doolhof van hagen door. Het ongeduld van vele eerdere bezoekers had al voor diverse openingen in de heggetjes onderweg gezorgd. We troffen de kluizenaar thuis, versteend en wel. Hij staarde, een kruis stevig op de borst geklemd, over de al even gebeeldhouwde bladzijden van een boek heen, waarop te lezen stond: ‘zo vergaat de glorie van de wereld.’ Het was de laatste waarschuwing.
Uitgelezen 125
‘Mensen veranderen, maar nooit zomaar. Zo hoor je wel eens dat een hersenbloeding of een ernstig verkeersongeluk iemands persoonlijkheid volledig overhoop kan halen. Hij of zij wordt niet alleen nooit meer de oude, maar blijft voorgoed een ander. De wonden etteren door in het karakter.
Zo zou ik onder invloed van wat mij met Corinne is overkomen, onze coup de foudre, oppervlakkig on ingrijpend van persoonlijkheid veranderd kunnen zijn. Als ik afga op de reacties van Albert en de kinderen, van enkele collega’s bij de GG&GD en van nog een paar familieleden en kennissen om wie ik niet heen kan, sluit ik de mogelijkheid niet uit. Ik heb de laatste tijd een paar keer te maken gehad met Tibbolt Satink en zijn ‘carrière als Ander’ en met Pijkel Niggebrugge en haar angstaanjagende metamorfose… waardoor ik veranderingen bij mezelf misschien bagatelliseer, wat niet betekent dat ze er niet zijn. Als de wereld voortdurend verandert, met mensheid en al, dan de individuele mens toch zeker… meestal langzaam en ongemerkt, maar soms door een belangrijke gebeurtenis radicaal en met verstrekkende gevolgen. Ja, ik denk dat mijn verhouding met Corinne mijn persoonlijkheid blijvend overhoop heeft gehaald.’
[A.F.Th. van der Heijden, Stemvorken, p.688-689.]
Op de splitsing
Het is meer dan twintig jaar geleden dat ik in de binnenlanden van Noord-Italië in de auto zat bij G. Een kleine wagen die hij van zijn vrouw had geleend, waarin we met vier, vijf mensen opgepropt waren. Hij reed ons enigszins onvast vanuit een klein dorpje ’s nachts terug naar Bologna. Net als de anderen had G. aardig wat gedronken en hij probeerde zich krampachtig te concentreren op de weg. Dat ging hem als voormalig buschauffeur redelijk goed af totdat we bij een T-splitsing vlak voor een spoorlijn of kanaal plotseling tot stilstand kwamen. Hij moest kiezen voor links of rechts en wist het even niet meer. In mijn herinnering waren we zeer abrupt gestopt en stonden we zelfs schuin op de weg. Misschien hadden we ook ternauwernood een passerende auto kunnen ontwijken, dat weet ik niet meer.
Onderweg naar die stop hadden we zitten praten over onze schrijverij en het onderzoek dat daaraan voorafgaat. Wanneer moet je daarmee stoppen, wanneer is het genoeg, wanneer is het moment gekomen om daadwerkelijk te gaan schrijven? Zijn conclusie was: dat wordt vanzelf en plotseling duidelijk. Het geheugen is bedrieglijk maar het leek verdacht veel op onze benevelde nachtelijke autorit.
Ik sta nu ook weer dwars op de weg. Het boek waaraan ik al een paar jaar werk, lijkt een gesloten systeem te worden. Alles waarvan ik zou kunnen denken dat er nog bij zou moeten, zit er blijkbaar al in of valt vanwege de innerlijke logica vanzelfsprekend af. Het ondergronds gangenstelsel dat na jaren van graven is ontstaan en vele kilometers lengte beslaat, is in rudimentaire staat af. Ik kan er doorheen lopen en zonder te verdwalen het midden bereiken. Vol vertrouwen begin ik nu dus aan het kronkelige pad naar binnen. In de bovenkamer.
Misschien kom ik later weer bij deze zelfde splitsing terug omdat ik in de binnenlanden verkeerd gereden ben maar ik moet nu afslaan, anders sta ik stil en blokkeer ik het verkeer.
In Nederland: De Vlist

