woensdag 19 september 2018

Uitgelezen 96

‘Nu ja, zei Géronnez, ze zullen wel wat vinden, ze vinden altijd wat, na je vijftigste kun je er gif op innemen dat ze iets vinden, en als de dokters bij een vijftigplusser niets vinden, dan vraag ik me af wat ze gestudeerd hebben, dan moet je naar een ander ziekenhuis gaan. (…)
Bij mij is het de milt. Is het niet vreemd? Uitgerekend de milt. Nu zult u vragen, waarom is dat vreemd? Zegt u mij, wat doet de milt, wat is zijn taak? Nou? Ziet u wel, u weet het niet. Niemand weet het, vraagt u maar aan uw vrienden, uw kennissen, vraagt u maar aan de mensen op straat. De lever, ja! Het hart, natuurlijk! De longen, de nieren, je hoeft geen medicijnen gestudeerd te hebben om te weten wat die organen doen, wat hun functie is. Maar de milt – nu, zegt u eens: wat is de taak van de milt? Ziet u, dat is toch eigenaardig! De milt leidt een schaduwbestaan. Terwijl al die andere organen, waarvan we op de hoogte menen te zijn en die we zo belangrijk vinden, op den duur niet eens kunnen werken als de milt er niet zou zijn. De milt controleert alle andere organen, weet alles, houdt ze ononderbroken in de gaten. Hij weert kwalen van andere organen af, verwijdert schadelijke deeltjes uit het bloed, slaat witte bloedlichaampjes op die hij waar nodig inzet, je kunt zeggen uitzendt als een interventiemacht. (…).
En alles wat de milt doet, nemen de andere organen waar. Hij is de grote communicator, en tegelijk de geheime dienst die door niemand wordt opgemerkt. En waarom heeft niemand oog voor de milt? Waarom weet niemand wat de milt doet? Precies: omdat hij in de regel niet opvalt. De milt is het orgaan dat maar heel zelden problemen oplevert. Hij lost de problemen van andere organen op, hij weert naar vermogen hun kwalen af maar wordt zelf zo goed als nooit ziek. (…)
Ziet u. En bij mij is het de milt. Geen toeval. Ik ben zogezegd beroepshalve milt, en een tijdje geleden heb ik gemerkt, ik red het niet meer, ik kon niet meer accepteren wat mijn taak was, en –
U bent van beroep… wat? Ik bedoel, milt is geen beroep.
Brunfaut zuchtte.
Ik werk bij de Europese Commissie, zei Géronnez, bij EC-FIN, dat is de hoofddirectie Economie en Financiën. Ik ben verantwoordelijk voor de communicatie.’
[Robert Menasse, De hoofdstad, p.231-233.]

Serie: Uitgelezen  

zondag 16 september 2018

Merveilles

Zoals het verdampende water opsteeg, landinwaarts waaide en daar, hoger en hoger, aan het einde van de middag afgekoeld wolken vormde, in onweer kwam en als zachte regen naar beneden viel, zo reisden wij per trein van Nice naar bergdorp Tende. Met de zogenaamde ‘Train des merveilles’, in de richting van Cuneo. De trein is genoemd naar het indrukwekkende landschap waar hij doorheen rijdt, in de richting van het natuurreservaat in de bergen achter Nice en: door grensgebied met Italië. 

Dat gebied staat als vanouds onder spanning omdat veel vluchtelingen na hun reis vanuit het zuiden van Italië via Ventimiglia maar ook op hoger gelegen plaatsen, Frankrijk hopen binnen te komen – en de Fransen dat niet willen. Op meerdere stations langs de route kwamen politiemensen door de trein en keken grensbewakers tussen de wielen van de rijtuigen van dit overwegend toeristische lijntje. In de berm zagen we soms stukken stof op stokken bij wijze van geïmproviseerde richtingsaanduiding, hoopjes kleren, achtergelaten tassen en jassen. Het moeten hele lastige en ook levensgevaarlijke routes zijn, want ze voeren door een extreem mooi maar: extreem landschap vol bergen, diepe kloven, wilde stromen en lange, donkere, soms zelf in de bergen omhoog spiralende tunnels.

Tende

Wij stapten uit in Tende, een bergdorp met een middeleeuws centrum dat minstens zo mooi als Eze, is, maar veel minder bezoekers lijkt te trekken. En dat ondanks het museum dat in alle betekenissen terecht de naam ‘Musée des Merveilles’ draagt. Tende is het vertrekpunt voor ondernemende wandelaars die het natuurreservaat willen intrekken, over de bergpaden in het grensgebied willen lopen, al dan niet op zoek naar de in het museum tentoongestelde en toegelichte rotstekeningen, aangebracht door prehistorische bewoners. De natuurlijke omstandigheden waarin die mensen leefden, hun cultuur, werk en beeldtaal zijn in het museum op een indrukwekkende manier gedocumenteerd, geanalyseerd en tentoongesteld – tot aan zeer levensechte reconstructies van de rotspartijen en de daarop aangebrachte afbeeldingen van werktuigen, menselijke en meer goddelijke figuren, en de ladders naar een andere wereld. Tekens van een primitieve beschaving die vlak onder het dak van de wereld woonde, dichtbij waar warme en koude lucht al duizenden jaren op elkaar botsten – ook nu nog iedere zomer, elke dag. Waar regen, hagel en sneeuw, bliksem en donder vandaan kwam, waar – wie anders? – de goden tot hen spraken.

Musee des Merveilles

Zij wonen er allang niet meer, wij zien andere tekens langs de weg en god is dood. De rotstekeningen zijn soms beschadigd, een enkele is daarom zelfs vervangen door een kopie. In het museum in Tende kun je ernaar kijken, je verwonderen over die taal, die symbolen, en je weer even terug wanen in de oertijd, in de tijd zonder grenzen. Je begrijpt de alpinisten en andere bergbeklimmers weer een beetje beter. In de bergen bij Tende kun je nog altijd de menselijke nietigheid en de strijd met de elementen ervaren. Je kunt er even geloven wat je wilt.

Een extreem luchtgekoelde trein nam ons aan het einde van de middag weer mee terug naar beneden, terug naar het stedelijke, mondaine, verhitte Nice. Ik werd er door de koude lucht bevangen en twee dagen later was ik ziek.

woensdag 12 september 2018

De muur

Lunteren leek me eerder een werkwoord dan een plaatsnaam. Dat vermoeden bleek juist. Het betekent zoiets als talmen, dralen of slenteren. Desondanks konden we er zaterdag ook naar toe met de trein. We gingen naar Lunteren om de muur te zien, de ‘Muur van Mussert’. Betwist erfgoed, zoals dat zo mooi heet. Een hoge, rechte constructie die een podium vormde voor bijeenkomsten van de Nederlandse nationaalsocialisten waaronder dus ook Anton Mussert, de voorman van de NSB. Hij hield er zijn zogenaamde ‘hagespraken’ voor soms wel duizenden mensen. Op de Goudsberg in de bossen bij Lunteren. Neurenberg op de Veluwe. Grootheidswaan, vlakbij het middelpunt van Nederland. Ironisch genoeg werden dergelijke politieke bijeenkomsten tijdens de jaren 1940-1945 juist verboden door de Duitse bezetter.

De muur

De muur is een beetje overwoekerd en vervallen maar staat er nog. Op een merkwaardige plek ook: omringd door stacaravans voor Poolse gastarbeiders – al zijn die ondertussen ook weer vertrokken. Een soort duinpan met lege witte chalets. Ongemakkelijk misschien maar de geschiedenis is natuurlijk wel dat de muur er eerder was dan het kampeerterrein. Desondanks heeft de campinghouder vorig jaar een sloopvergunning aangevraagd voor de muur. Waarmee de jarenlange besluiteloosheid op scherp werd gezet. Maar er ontstond protest tegen de voorgenomen sloop en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap werd gevraagd om een beslissing te nemen. Uiteindelijk werd in februari 2018 besloten de muur tot monument te verklaren. Ongetwijfeld tot ergernis van de lokale ondernemer. Erfgoed is niet alleen datgene waar we trots op zijn; het is de geschiedenis waar we ons bewust van moeten blijven.

De muur 2

De muur zal dus behouden blijven. De vraag is: op welke manier? Moeten de Polen terugkomen om de blinde muur in zijn oude staat terug te brengen? Om aan het einde van de dag het van hun uitbuitersloon gekochte bier op te zuipen in de stacaravans ertegenover? Moeten we er een herinneringsplek voor de collaboratie in Nederland van maken? Een documentatiecentrum misschien? Ik denk het niet. Wat mij betreft blijft het precies de ruïne die het nu is. Je moet je er dan alleen voor zorgen dat de muur niet verder vervalt. Een ruïne onderhouden – dat lijkt me een uitdagende vorm van restauratie. Dralen, talmen. Lunteren. 

vrijdag 7 september 2018

Herbestemming

Terwijl ik gisteren hardop terugdacht aan mijn oorsprong en reflecteerde op mijn bestemming, gingen mijn gedachten naar de verlaten fabriek tegenover mijn geboortehuis. Buitendijks gebouwd, direct naast de brede rivier. Ooit was het een bierbrouwerij, later een metaalwarenfabriek, kopergieterij. Tijdens de eerste zes, zeven jaar van mijn jeugd was het een dichtgespijkerd, donker en leeg, zwijgend gebouw. Het monumentale pand vloog in brand, stortte deels in en werd uiteindelijk met de kogel gesloopt.
Toen ik mijn ogen even dicht deed, hoorde ik niet de geluiden van de afbraak maar van ratelende ankerkettingen van de schepen en vooral: van hamers op plaatstaal in de scheepswerven, het lang aangehouden schellen van de fabriekshoorn voor de lunchpauze. Die geluiden klinken er ook al lange tijd niet meer. Mijn lagere school is onlangs gesloopt, mijn geboortehuis staat er al langer niet meer. Alleen mijn moeder woont nog in het dorp en mijn vaders as rust er in een urn.
Natuurlijk stroomt de rivier er nog altijd naar zee en voel ik de strijd met de strenge gelovigen en de lokale mentaliteit nog altijd. Maar mijn oorsprong is nu wel bijna volledig verinnerlijkt. Op weg naar de bestemming, of beter gezegd misschien: een herbestemming.

vrijdag 31 augustus 2018

Achter de groene luiken

We sliepen onze eerste nacht in de oude binnenstad van Nice met de ramen open. We dachten dat de frisse zeelucht dan fijn een verkoelende tocht door ons appartement kon maken. Maar het enige dat door de half gesloten luiken binnendrong, waren de geluiden van de restaurants, de mensen die nog een late avondwandeling maakten en, ’s nachts, het geschreeuw van uitgelaten en dronken uitgaanspubliek. Wij lagen binnen te zweten en probeerden de slaap te vatten. We werden echter steeds wakker van alle geluiden die van drie verdiepingen lager, van de straat kwamen, geluiden die door de smalle straten omhoog rezen en werden versterkt.
De volgende ochtend werden we al rond een uur of vijf, halfzes, opgeschrikt door een ander fenomeen, dat zich alle dagen erna zou herhalen. In onze straat, direct achter de zogenaamde ‘bloemenmarkt’ bleken de pakhuizen en voorraadkamers te zijn van de kramen op de dagelijkse groente- en fruitmarkt om de hoek, alsmede de opslagruimtes voor de pallets met goederen voor alle winkels en restaurants van het oude centrum, waar vrachtwagens niet in de buurt konden komen. Het was dus vanaf de vroegste uren al een komen en gaan van mannetjes met steekwagens, pompwagens, kooien op wielen en andere karretjes met goederen: van en naar het marktterrein en verder de stad in. Inclusief de bijbehorende, luide begroetingen. De achterkant van de markt. We werden er iedere ochtend wakker van, ook nadat we hadden besloten dan maar ’s nachts de ramen te sluiten en de airconditioning op zijn hardst te laten loeien.

Nice 1

Ons hooggelegen appartement was dus niet alleen een fijn huis op maar twee minuten lopen van het strand, het bood niet alleen een beetje zicht op zee. We waren ook getuige van de machinaties achter de lokale economie.

’s Avonds hoorden we de geluiden opstijgen van de smalle terrassen van de restaurantjes in onze straat. De typisch mediterrane klanken van messen en vorken tegen een bord, het opentrekken van flessen, het klinken van de glazen. Af en toe een uitroep, een schaterlach, of een felle woordenwisseling. 

Nice 2

Het interessantste vond ik het zicht op de mensen bij de wijnbar. Door er van bovenaf op te kijken, leek het alsof ik antropologische observaties stond te doen, dat ik de sociale omgangsvormen van de bezoekers aan het bestuderen was en daar tegelijk van abstraheerde. De klandizie scheen vooral uit vaste klanten te bestaan die de eigenaar joviaal begroetten en ook elkaar veelal kenden, al hadden ze met hun eigen, kleinere gezelschap afgesproken. Soms kwam er iemand wat later en zag je diegene aarzelen, van groepje naar groepje lopen, mensen in verschillende gradaties van genegenheid begroeten, bij de rokers gaan staan, of na verloop van tijd met iemand apart en wat op afstand in de steeg ertegenover. Er slalomden kinderen tussendoor, waarop soms heel enthousiast en soms juist heel kil gereageerd werd, een enkele keer ontstond er een opstopping voor passanten, die hun kronkelige weg tussen de wijndrinkers door moesten zoeken zonder dat er ruzie zou ontstaan. 

Het toekijken op dit sociale laboratorium tartte mijn hoogtevrees, maar verzoende me met het aanzwellende rumoer. Die gebroken nachten waren de prijs die we moesten betalen voor deze geweldige locatie.
Gelukkig hadden we nog altijd de zaligmakende siësta.

woensdag 29 augustus 2018

Nice trompe-l’oeil

Via Rosetti Nice

zaterdag 25 augustus 2018

Uitgelezen 95

‘Op zeker moment – en waarschijnlijk al snel – zal er behoefte ontstaan aan het inzicht in wat met name onze grote steden missen: stille en weidse, uitgestrekte plaatsen waar kan worden nagedacht, plaatsen met hooggewelfde, lange zuilengangen voor slecht of al te zonnig weer, waar het lawaai van wagens en de kreten van marskramers niet doordringen. Waar een subtieler soort fatsoen zelfs een priester het hardop bidden zou verbieden: bouwwerken en parken die als geheel de verhevenheid van bezinning en een stap opzij zetten tot uitdrukking brengen. De tijd is voorbij waarin de Kerk het monopolie op nadenken bezat, waarin de vita contemplativa steeds in de eerste plaats vita religiosa moest zijn – en alles wat de Kerk heeft gebouwd, draagt deze gedachte uit. Ik zou niet weten hoe haar bouwwerken voor ons acceptabel zouden kunnen zijn, zelfs al zouden ze hun kerkelijke bestemming hebben verloren; deze bouwwerken spreken een veel te pathetische en vooringenomen taal als huizen van God en pronkplaatsen van omgang met een bovenwereld om ons, goddelozen, hier onze gedachten te kunnen laten denken. Wij willen ons in steen en plant vertaald zien, wij willen in ons gaan wandelen wanneer we in deze hallen en parken rondlopen.’
[Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, p. 196-197.]

Serie: Uitgelezen