vrijdag 18 mei 2018

Leuven-Mechelen

De dienstregeling van de stoptreinen in Vlaanderen is een gedicht. Ook de treinreis van Leuven naar Mechelen liet zich weer als een prachtige strofe lezen, zij het een korte. Ik herhaalde de namen van de dorpen en gehuchten op de prachtige, matte donkerblauwe borden met witte letters hardop terwijl ik naar de huizen, brouwerijen en fabrieken, velden en bossen erachter staarde. Altijd maar in de hoop in het raadselachtige Vlaams de juiste klemtoon, het goede ritme en de precieze betekenis van de namen te doorgronden. Al weet ik dat het tevergeefs is, in het voorbijrijden.

Leuven
Wijgmaal
Hambos
Wespelaar-Tildonk
Haacht
Boortmeerbeek
Hever
Muizen
Mechelen

woensdag 16 mei 2018

Hoop op herontdekking

We hadden elkaar in het water niet herkend maar deden dat nu wel voor de spiegel in het zwembad. Lang geleden waren we buren in een gebouw met ateliers en nu stelden we elkaar de vraag die iedereen stelt tijdens zo’n onverwachte reünie.
Zij was vooral intensief bezig met het uitzoeken, inventariseren en conserveren van het werk van een oude beeldend kunstenaar, die nu in een verzorgingshuis zat. Schilderijen, tekeningen, schetsen – een enorme hoeveelheid werk die zich in zijn werkzame leven gestaag opgestapeld had. Hij had geen familie en eigenlijk ook geen erfgenamen. Er waren vrienden die wel werk wilden hebben en misschien kon er nog iets verkocht worden maar uiteindelijk zou zoiets als veiling resten.
We vroegen ons hardop af wat het lot van ons eigen onverkochte en zich opstapelende werk zou zijn. Zij had tijdens het inventariseren ook even betwijfeld of het eigenlijk wel zin had om door te blijven tekenen als je tekeningen en ander werk ongezien en onverkocht zouden blijven. Gelukkig had zij, net als ik, al snel de conclusie getrokken dat de motivatie om te blijven tekenen of schrijven in het maken zelf gelegen is.

De situatie van de oude kunstenaar is bepaald niet uniek. Ik stel dan ook voor dat er ergens in een weidse polder een gigantische loods ingeruimd wordt, waar in boxen het samengepakte, gedocumenteerde en goed geconserveerde werk van kunstenaars bewaard kan worden. Zoiets als de zadenbunker in Spitsbergen of de blauwe loods voor nucleair afval in Borsele, maar dan minstens zo toegankelijk als een Shuregard. Zo niet permanent betaald, dan toch met een door een stichting gegarandeerde bewaartermijn die langer is dan die van het gemiddelde graf. Zo lang als het copyright misschien. Of gewoon: ergens tussen de 50-70 jaar. En dat allemaal vooral in de hoop op herontdekking – die zich voor nogal wat kunstenaars soms ineens, in onverwachte hoek, voltrekt. Omdat iemand je als voorbeeld noemt, en ‘bijna vergeten’. Als de herwaardering na al die jaren echter niet heeft plaatsgevonden, kan de box geruimd worden.
Het is wat mij betreft geen treurig beeld, zo’n kunstenaarsloods in de polder: ik zie er een fijne bibliotheek en bezoekersruimte bij, waarbij familie, vrienden en belangstellenden zich op verzoek en onder toezicht kunnen verdiepen in het opgeslagen werk. En je kan hem natuurlijk mooi opschilderen, in kleuren die de omgeving imiteren.

woensdag 9 mei 2018

Scènes in de gelagkamer

Tijdens de cognac viel me ineens op dat de schouw in het cafégedeelte van Hotel Van der Werff op Schiermonnikoog bedekt is met tegeltjes waarop dieren zijn afgebeeld. Iedere tegel bevat er een. Sommige duidelijk herkenbaar als varken of vogel, andere onbekend, misschien gewoon slecht geschilderd maar in ieder geval raadselachtiger. Wat had de tegelschilder verzonnen tijdens het maken van dit keramische bestiarium? Voor de haas had hij duidelijk een voorbeeld genomen aan een boksende kangoeroe maar wilde hij die kruising tussen hond en beer er nu gevaarlijk laten uitzien of juist niet? Je kon lang naar de dieren staren of er natuurlijk botte grappen over maken; over de kaas, de bangoeroe, de bond of de heer.

In het hotel werd die avond het boek De vesting / The fortress van fotograaf Luca Solari gepresenteerd. Zwart-wit beelden van het eiland: landschappen, de zee en het zand, dieren en karaktervolle portretten van bewoners. Italiaans, dus: esthetisch. Gemaakt door een voormalige jazzdrummer: ritmisch, met oog voor patronen en details, een abstrahering van wat ook onze ervaring was. Schrijver Mathijs Deen, die teksten voor het boek had geschreven, vertelde het publiek in de hotellounge dat Solari door zijn Nederlandse vrouw meegenomen was naar Schiermonnikoog, dat hij meteen gefascineerd was geraakt door het eiland en daarna keer op keer was teruggekeerd, vaak ook in de winter. Verliefd. Nu, na een jaar of tien, was zijn boek klaar en een ode aan het eiland en aan zijn mensen geworden.

In de zaal zaten enkele van de geportretteerden. Ook Tiny, het oude dametje dat de fotograaf aan andere bekende gezichten in het dorp had voorgesteld. Zij kreeg het eerste exemplaar van het boek, daarna pas de burgemeester.
947 inwoners, tien biljartverenigingen. Dat is Schiermonnikoog. Solari had Tiny ontmoet tijdens het jaarlijkse toernooi tussen de clubjes, ook in Van der Werff. Nu was het biljart bedekt met houten platen en een kleed, en werden er na de presentatie exemplaren van het boek opgestapeld en verkocht.
Om het biljart heen, in het café en de lounge, begroetten bekenden elkaar, volgden omhelzingen en gesprekken in verschillende talen, geblader, wijzen, drinken en lachen. Hier en daar vormden zich groepjes, ook een rond Tiny, die weer in het gezelschap was van de drie dames met lijzig Rotterdams accent tegen wie we haar de vorige dag nog hadden zien biljarten, licht gehinderd door haar aandacht vragende hondje.

Tussen alle gasten door dwaalde een oude, wat verstrooid ogende heer van stand, het zware fotoboek klem onder zijn arm. Hij bleef maar heen en weer lopen van café naar lounge, steeds bijna gevloerd door de goot voor de schuifdeuren tussen de ruimtes, die nu open stonden. Het was onduidelijk wie of wat hij zocht, en keer op keer was het spannend of hij door zijn wat aarzelende, stramme tred zou struikelen over de ijzeren drempel. Maar zonder ernaar te kijken, slaagde hij er iedere keer in veilig naar de andere kant te komen. Om verder te zoeken, misschien wel naar zichzelf.

We keken naar de eenzame, slepende tred van de oude man en naar de andere bewegingen in het langzaam leger wordende, donkere café. Die ‘gelagkamer’ – dat woord is hier beter op zijn plaats – is een gat in de tijd, op een eiland in de zee. We waren er gelukkig mee.

zaterdag 5 mei 2018

Schiermonnikoog

Schiermonnikoog 3

Schiermonnikoog 2

woensdag 2 mei 2018

Uitgelezen 92

‘In 2014, the Glasgow School of Art caught fire. It was a unique building designed by Charles Rennie Macintosh and its loss was spoken of in the language of national tragedy. Pictures of the blaze adorned the front page of every paper and politicians like then First Minister Alex Salmond as well as celebrities like Brad Pitt responded almost instantly, deploying vast resources and guaranteeing financial assistance to the School and the students affected. The Arts School’s prominent place in our national psyche provoked such a broad public response that the incident, in which nobody died or was injured, dominated the headlines for days. But the public response wasn’t that broad. In truth, it was very narrow. The reaction only came from a certain section of the public, who felt connected to the Art School in some way. Most people in Glasgow weren’t bothered. After a few days of constant talk of the fire, its implications and whether the damage was permanent or could be salvaged, some (myself included) began to get irritated by what felt like the disproportionate coverage. Many of us were offended at the amount of time dedicated to this story, not just because we had no real interest in contemporary art, but because we grew up in communities where things burn down all the time. Where schools are bulldozed against our wishes. Where cultural heritage is seized before being turned over to private developers. Where roads are built through our land so that people from the suburbs can drive to places like the Glasgow School of Art without having to wait in offensive traffic queues.
“But it’s the art school,” people cried, implying their interests were universal. “Who gives a toss?” was the uneducated, vulgar response. The perception of the Glasgow School of Art, to those who felt connected to it, was equal to the lack of concern of those who didn’t.’
[Darren McGarvey, Poverty Safari, p. 144-145.]

Serie: Uitgelezen  

donderdag 26 april 2018

Glasgow Streetart

Glasgow streetart 1

Glasgow streetart 2

Glasgow streetart 3

vrijdag 20 april 2018

Jekyll and Hyde

Het was me duidelijk dat Glasgow ooit gouden tijden gekend had – en in de vorige eeuw vele donkere decennia van verval en armoede. Dat er nog altijd armoede is en verval, zelfs in het ondertussen gerenoveerde centrum. Je hoeft maar een van de vele gore steegje in te lopen of omhoog te kijken naar dichtgespijkerde panden om de keerzijde te zien, de leegstand boven de winkels op te merken, of naar de overkant van de rivier, de buitenwijken in te gaan. Of je loopt op een zaterdagochtend naar de Barras, een complex van overdekte markthallen waar vooral tweedehands spullen worden verkocht. Dan passeer je schuttingen waarachter de ‘rotte kiezen’ uit de straten getrokken worden, zie je tot welke stadsrand de junkies mogen komen en kom je uit bij een wereld waar ‘vintage’ nog gewoon ‘karakteristiek’ is. Antiek, bloemenbloesjes, kinderfietsen, geslepen glaswerk, landschapsschilderijtjes, militaire uniforms en wapens, postzegelalbums, fototoestellen, boeken, goedkope tapijten en meubels, plastic prutsspeelgoed, vintage pornoblaadjes en de handleiding voor je auto etc. etc. etc. De hallen lagen er vol mee, ogenschijnlijk in totale wanorde, de spullen hoog opgetast en onder het stof, onwrikbaar klem soms onder weer andere spullen. Je kon je er alleen bij toeval iets ontdekken. Als je iets zocht, zou je het niet kunnen vinden. Het moest zelfs voor de handelaars onmogelijk zijn om te weten wat ze hadden staan.

Voltaire & Rousseau

Twee dagen later ging ik wat kleine antiquariaten langs. Ook daar vele stapels tweedehands boeken, soms in ontmoedigend grote hoeveelheden. Bij Voltaire & Rousseau had ik het gevoel dat de boekverkopers er verslagen bij zaten, bijna verdwenen tussen hun boeken. Zoeken voor een klant moest hier een archeologische opgave zijn. Ze leken dan ook ronduit opgelucht door mijn aanschaf van Robert Louis Stevenson’s The strange case of Dr Jekyll and Mr Hyde. Ik bracht weer een heel klein beetje lucht in hun necropolis.

Wat zien zij zelf nog, wat weten ze zelf nog van hun verzameling goederen, als ze alles maar blijven bewaren? De maatschappelijke geaccepteerde hoarders van Glasgow maakten oppervlakkig gezien een troosteloze indruk. Bedolven onder de geschiedenis. Tegelijkertijd was het misschien maar goed dat er niet overal in de stad was opgeruimd en aangeveegd. Dat er nog plekken zijn waar je het verleden onopgesmukt kunt tegenkomen. Authentiek, voor zover dat bestaat. Onder het stof, in muffe magazijnen misschien. Een andere ingang van hetzelfde huis.